Veroordeling tot medewerking aan verkoop onverdeelde woning in kor…

expertise:

Family & Inheritance law

newsletter:

Wilt u meer weten over dit onderwerp, schrijf u in voor onze nieuwsbrief

This field is for validation purposes and should be left unchanged.

08 February 2023

Al enkele jaren bestaat er in de jurisprudentie onduidelijkheid of het in kort geding mogelijk is om een veroordeling van de andere (ex)echtgenoot te verkrijgen tot medewerking aan een verdeling van een gemeenschap of tot verkoop en levering van een gemeenschappelijk goed (vaak de echtelijke woning). Het Hof Den Haag (2018, 2019) en Hof ’s-Hertogenbosch (2021) hebben meermaals geoordeeld dat dit niet mogelijk is, terwijl het Hof Arnhem-Leeuwarden (2021) en het Hof Amsterdam (2020, 2021) die lijn niet volgen. Daardoor bestond er op dit punt rechtsonzekerheid, waar duidelijkheid geboden is. Advocaat-Generaal Snijders heeft om die reden cassatie in het belang der wet ingesteld. Zijn conclusie werd op 25 januari 2023 gepubliceerd.

De onderhavige uitspraak betrof twee partijen die een relatie met elkaar hebben gehad. Zij waren samen eigenaar van een woning (ieder voor de onverdeelde helft), waarvoor een hypothecaire geldlening was aangegaan. Hiervoor waren partijen beiden hoofdelijk aansprakelijk. Na verbreking van de relatie verliet de man eind 2015 de woning, waarna de vrouw tot eind 2016 de tijd zou krijgen om te onderzoeken of zij de woning en de hypotheek over kon nemen. De man zou dan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid worden ontslagen. De man spande in 2017 een kort geding aan en de voorzieningenrechter in Den Haag oordeelde dat de vrouw binnen twee weken haar medewerking moest verlenen aan verkoop van de woning, onder verbeurte van dwangsommen. Doordat de vrouw – ondanks de verbeurde dwangsommen – nog altijd niet in actie wilde komen, is de man in 2018 opnieuw een kort geding begonnen en heeft wederom verzocht om een veroordeling van de vrouw tot medewerking aan verkoop van de woning. De voorzieningenrechter wees de vordering toe (wederom onder verbeurte van een dwangsom), maar in hoger beroep oordeelde het Hof Den Haag dat een kortgedingprocedure bedoeld is om een ordemaatregel te treffen. Deze procedure zou volgens het hof niet bedoeld zijn om een wijze van verdeling te gelasten zoals bedoeld in art. 3:185 BW, dan wel een definitief einde aan de verdeling te maken. Hiervoor is – aldus het hof – een bodemprocedure nodig. In de jurisprudentie wordt hier verschillend over geoordeeld.

De conclusie van de Advocaat-Generaal is helder en stelt dat een machtiging tot verkoop van de woning dan wel medewerking aan verkoop van de woning, ook in kort geding mogelijk is. Daarmee wordt geen definitief einde aan de verdeling gemaakt. Nu is de Hoge Raad aan zet. Ervan uitgaande dat de Hoge Raad de conclusie van A-G Snijders volgt, is er in kort geding meer mogelijk om tot afwikkeling van een gemeenschappelijk goed (vaak de woning) te komen dan misschien eerder werd gedacht. Daarmee kan er voor partijen die bijvoorbeeld een geschil hebben over de toedeling en verkoop van de gemeenschappelijke woning op relatief korte termijn duidelijkheid worden gebracht, in plaats van dat een langdurige bodemprocedure moet worden doorlopen. 

Mocht u behoefte hebben aan advies, aarzel dan niet om contact op te nemen met Tim Backx of met één van de leden van de sectie Familie- & Erfrecht